Ga naar de hoofdcontent
HF x UvA '26: Bilderschlachten, veel en toch weinig concreet

HF x UvA '26: Bilderschlachten, veel en toch weinig concreet

Geschreven door Yara Korver

Buiten is het nog 36 graden, de heetste dag van het jaar, zo wordt gezegd. Bij binnenkomst in Internationaal Theater Amsterdam ontmoet ik een studiegenoot en vraag hem of hij ook naar de inleiding van de voorstelling gaat. Hij weet mij te vertellen dat deze niet door zal gaan vanwege de hitte. Begrijpelijk, maar toch jammer, want nu zal ik de voorstelling in gaan zonder enige voorkennis.


Achteraf aan de voorstelling lees ik de flyer die ik heb gekregen bij binnenkomst. Het idee van de voorstelling Bilderschlachten, geregisseerd door Stephanie Thiersch en muzikaal geleid door Brigitta Muntendorf, is een grote hoeveelheid aan beelden tonen om te ervaren hoeveel beelden we tegelijkertijd kunnen verwerken. Een interessante invalshoek om te onderzoeken in een wereld waar korte beelden elkaar om de vijf seconden opvolgen, geconsumeerd door een scherm zo groot als de palm van je hand. De voorstelling lijkt dan ook te experimenteren met een overvloed aan beelden en het ontbreken van een duidelijk plot en die veelheid aan beelden heb ik dan ook zeker ervaren, maar de veelheid overheerste zo erg dat enige vorm van begrip of concreetheid voor mij verloren ging. Terwijl dit waarschijnlijk de bedoeling was. Blijkbaar had ik behoefte aan structuur in deze voorstelling, maar kreeg ik het tegenovergestelde waardoor de voorstelling misschien wel precies heeft voortgebracht wat ze wilde: het altijd op zoek gaan naar betekenis en samenhang, maar dat wel te doen door korte, heftige en verslavende prikkels.

 

Bij het inlopen van de zaal zien we dat we op de voorste rij zitten. Dat vind ik jammer, ik vind het namelijk altijd net zo interessant om het publiek te bekijken als de voorstelling. Nu krijg ik totaal niet mee wat er in de zaal gebeurt. Als de voorstelling begint wordt iedereen op de eerste rij gezegd dat we onze benen dicht bij ons moeten houden omdat er mensen langs zullen lopen. Bij aanvang van de voorstelling speelt het Residentie Orkest een soort windgeluid door de hele zaal heen. Ze staan op de balkons, op de trappen in de parterre en ook de zaalbakonnen zijn gevuld met blazers en knisperaars. De dirigent Benjamin Shwartz staat recht voor ons groots te zwaaien met zijn armen en voor ons langs lopen twee violisten al draaiend langs de rand en knarsend spelend op hun instrument.

 

Dan beginnen ook de dansers te bewegen op het podium, op de klanken van de wind. In het donker, als schimmen, bewegen ze zich over het toneel. De dans lijkt geïmproviseerd, met momenten van samenkomst en liften om daarna weer alleen verder te gaan. Dit is het eerste beeld wat wordt gecreëerd. Een beeld waar ik als dramaturg toch betekenissen in probeer te zoeken. Het lichtontwerp, gedaan door Begoña Garcia Navas, toont een soort zon in het midden van het achterdoek, waardoor de dans mij doet denken aan een dageraad waarin de wind waait en de dansers deze winden beweging geven. Aan het einde van deze scène komen ook de strijkers van Asasello Quartet het podium op, wat het beeld in samenwerking met het geluid doet veranderen in een soort insecten opkomst. De dansers bewegen als vliegen over het toneel, hun handen onder hun ogen houdend als grote knipperende wimpers terwijl kleine stapjes over het podium ze zich voortbewegen. Hierin zie ik de ochtend die rustig ontwaakt waarbij de vliegen staan voor zowel irritatie als symboliek voor de kunst om waarde te vinden in het ogenschijnlijk nutteloze of ongewenste (een kunst die mij niet gelukt is te internaliseren).

 

Na een prachtig intermezzo van het Residentie Orkest komen de dansers weer het toneel op in grote opgeblazen kostuums en performen wat lijkt op een groot bal of feest. Ze presenteren zichzelf als opgeblazen persoonlijkheden en dansen tweemaal dezelfde routine. Blijkbaar kunnen deze opgeblazen personen het presenteren van dezelfde routine goedpraten doordat ze zo groots en ruimte innemend zijn. Dit is een interessante lijn naar de huidige samenleving, omdat sommige personages in dit leven net zo opgeblazen zijn en twee keer eenzelfde routine uitvoeren, met vaak ook nog succes. Wat dan de lijn met de vorige scène is, kan ik niet goed vatten. Op dit moment besluit ik dan ook om toch mijn boekje erbij te pakken en aantekeningen te maken omdat ik hier merk dat het een veelheid aan impressies zal gaan zijn. Na deze 'bal'-scène wordt dan ook omgeroepen “Holland Festival, hebben jullie zin in een feestje?”. Er komt weinig reactie uit het publiek en ikzelf ben ook overvallen door die vraag en de publieksparticipatie die opeens verwacht wordt.

 

Verschillende scènes worden hierna afgewisseld: van rustige scènes waarin eenzelfde bewegingspatroon herhaald wordt opnieuw en opnieuw tot het steeds opnieuw herhalen van een Franse zin. Op een gegeven moment wordt het beeld gecreëerd waarin iemand gereanimeerd wordt. Ook de muziek springt in verschillende ritmes, genres en klanken. Strijkers en fluiten worden afgewisseld met trommels. Daarnaast wordt er niet alleen gesproken door de dansers, ook wordt er gezongen. Julien Ferranti zingt in een prachtig hoge tenorstem een Duits lied, waarna Alexandra Naudet de microfoon pakt en “You’ve gotta die for your government, die for your country, that’s it” scandeert. Een leuze die voornamelijk maatschappijkritisch is, maar daardoor ook wat afgezaagd aanvoelt.

 

Telkens worden er beelden gepresenteerd die totaal niet bij elkaar passen. Waardoor ik als toeschouwer niet meer weet wat ik met de informatie die ik van het toneel krijg, aan moet. Dat lijkt de bedoeling te zijn, maar heel prettig is het niet. En ik weet niet of ze in mij het juiste publiek treffen. In de flyer lees ik dat Brigitta Muntendorf zegt: “De vraag is wat er overblijft als je al die beelden afstroopt (...) Wat blijft er over als alle lagen wegvallen en alleen het pure “ik” resteert?”. Die vraag wordt in mijn ervaring niet beantwoord in de voorstelling. Er wordt flink opgebouwd in beelden, maar niets wordt ‘afgestroopt’. In het eindbeeld worden zelfs alle musici van het Residentie Orkest op het podium gebracht, door middel van het omhoog klimmen uit de orkestbak, en toegevoegd aan het beeld, terwijl verschillende personages hun niet verstane verhaal doen in de microfoon. Het beeld is overigens prachtig, bliksemschichten worden nagebootst met het licht en de rook en de knisperende geluiden lijken toch verdacht veel op vuur, wat het gevoel geeft dat we allemaal bewegen richting de onderwereld.

 

Toch zie ik dat “verlangen naar een bevrijde, bijna paradijselijke toestand”, zoals Muntendorf zegt in de flyer, niet terug in de voorstelling. Ik loop de zaal uit met een vol hoofd. Geen gedachtenspinsels over hoe om te gaan met het leven in deze wereld en ook niet het antwoord op de vraag die de voorstelling zichzelf stelde: hoeveel beelden kunnen we verwerken? Wel ben ik op iets anders gestuit: ik bleef zoeken naar samenhang terwijl ik die steeds kwijtraakte. In die zin werkte de voorstelling misschien beter als symptoom van haar eigen vraag dan als een antwoord daarop