A Possibility is een beeldend theaterwerk van Germaine Kruip waarin met licht en geluid een meditatieve, zintuiglijke ervaring ontstaat die de toeschouwer laat associëren. Kruip begon haar carrière in het theater in de scenografie, maar ze vond het theater te vast en stapte over naar de beeldende kunst. In haar werk manipuleert ze vaak onze zintuiglijke waarneming van en omgang met tijd en de wereld. Daarbij werkt ze veel met licht en met de geschiedenis en gedragscodes besloten in architectuur, bijvoorbeeld hoe een theaterzaal bepaalt waar je mag zitten en waar je blik naartoe wordt gestuurd. De laatste jaren is ze ook meer met geluid gaan werken, zo maakt ze haar eigen muziekinstrumenten (inleiding door Bart van den Eynde).
In 2015 werd Kruip uitgenodigd om een performance-onderzoek te doen in New York. Dit leidde in 2016 tot het theaterwerk A Possibility of an Abstraction. Nu, tien jaar later, is er A Possiblity, een theaterwerk dat voortborduurt op dit eerdere theaterwerk en haar andere artistieke ondernemingen. A Possibility bestaat uit twee actes (inleiding door Bart van den Eynde; Van Den Broek 2017). De eerste acte is een nieuwe versie van haar eerdere theaterwerk waarin met veranderend licht verschillende vormen worden gemaakt die soms ook diepte zichtbaar maken. Dit wordt vergezeld door een subtiele soundscape van Hahn Rowe die bestaat uit een witte ruis, tropisch bosgeluiden en geluid dat klinkt als regen. In de tweede acte spelen vier slagwerkers -Youjin Lee, Gil Hyoungkwon, Akane Tominaga, Victor Lodeon- een compositie van Hahn Rowe op speciaal voor de voorstelling gemaakte koper-chroomkleurige buizen.
De titel van de eerdere versie, A Possibility of an Abstraction, stuurde de blik nog duidelijk richting ‘abstractie’. Door nu alleen A Possibility te gebruiken, laat Kruip dat kader los en wordt de titel opener. Voor mij gaat de mogelijkheid nu ook over associaties, anticipatie, manipulatie en meer. In deze reflectie ga ik in op mijn ervaring van deze mogelijkheden in het theaterwerk.
Door de afwezigheid van uitleg en woorden en de vaak abstracte vormen en geluiden biedt de voorstelling mij als kijker de ruimte om zelf te interpreteren en associëren wat ik zie en hoor. Aangezien iedereen zijn eigen geschiedenis, emoties en situatie meeneemt, heeft niemand exact dezelfde ervaring. Zo verscheen op een gegeven moment een witte ruit die langzaam naar me toe leek te bewegen. Feitelijk was het ‘gewoon’ een geometrische vorm, maar binnen enkele seconden zag ik in plaats van een ruit een geest op me afkomen, zoals in een horrorfilm. Later las ik dat Fransien van der Putt van theaterkrant in dezelfde vorm een vlieger zag (Van Der Putt 2026). Desondanks voelt A Possibility niet als een individuele ervaring. Terwijl ik in het donker -soms volledige duisternis- zat, wist ik dat de mensen om mij heen óók bezig waren om hun eigen betekenissen te zoeken. Die combinatie van een heel persoonlijke binnenwereld en het gedeelde ritueel van samen in een theater zitten, maakte de ervaring voor mij zowel intiem als iets gedeeld.
Naast het associatief denken was ik tijdens A Possibility regelmatig nieuwsgierig welke vorm en associatie ik als volgende zou gaan ervaren. In traditioneel verhalend theater is het vaak goed mogelijk om te bedenken wat de volgende scène in het plot zal zijn, omdat de mogelijkheden enigszins beperkt worden door de regels van de verhaalwereld. Doordat er geen verhaal of uitleg is en het werk onvoorspelbaar blijft, lijken er ontelbaar veel opties voor een volgende vorm en associatie. Deze oneindigheid voelt echter niet als iets hopeloos, maar juist als een verwondering en anticipatie op wat er zal volgen.
Tijdens de voorstelling waren er momenten dat het bijna volledig donker was en ik alleen af en toe een lichtflits meende te zien. Soms wist ik zeker dat het onderdeel van de voorstelling was, maar op andere momenten vroeg ik me af: bedenk ik dit nu zelf, omdat mijn ogen nog nabranden of omdat ik knipper? Iets soortgelijks gebeurde in de tweede acte met het geluid. De vier slagwerkers haalden uit dezelfde buizen een enorme variatie aan klanken, simpelweg door harder of zachter te slaan, andere stokken te gebruiken of doordat een buis door omhoog en omlaag bewoog. Soms klonk het geluid van een buis zolang door dat ik twijfelde of ik nog steeds die buis hoorde of dat het toch iets anders was. Ook merkte ik dat de geluidsintensiteit me op sommige momenten meer uitputte dan uitnodigde tot reflectie; daar verloor ik soms even mijn concentratie. Dit zorgt ervoor dat ik me ervan bewust werd hoeveel ik normaal op mijn zintuigen vertrouw en hoe onzeker je je voelt als je daarop niet meer volledig kunt/durft te vertrouwen. Pas na de voorstelling kon ik met andere aanwezigen bespreken of zij dezelfde waarnemingen hadden gedaan als ik, en ontdekken of ik mijzelf voor de gek hield of dat het echt was gebeurd. Hierdoor toont de voorstelling ook hoe belangrijk het is dat er anderen in je omgeving zijn die je kunnen helpen de werkelijkheid te duiden.
Wat daarnaast sterk opviel, is hoe de voorstelling speelt met gebruikelijke theatercodes. Normaal is het heel duidelijk wanneer een voorstelling begint: het zaallicht gaat uit, het speelvlak licht op, er klinkt een eerste geluid. Hier werd het langzaam donker, zo geleidelijk dat het moeilijk was een exact beginpunt aan te wijzen. Iets soortgelijks gebeurde aan het einde. Licht, geluid en de houding van de slagwerkers veranderden niet; pas toen het publiek zelf begon te klappen, leek het alsof het ‘officiële’ einde werd vastgesteld. Ook in het gebruik van licht week de voorstelling af van de norm. Waar meestal het podium het meest verlichte gebied is, was hier regelmatig juist het middelste zitgedeelte in de zaal het helderst en soms stond de achterwand van de theaterzaal zichtbaar in werklicht, iets wat je normaal juist probeert te verbergen. Zelfs de trekken, die doorgaans alleen worden gebruikt om decor aan op te hangen, werden onderdeel van het spel: de performers sloegen namelijk niet alleen op de speciaal gemaakte buizen, maar ook op de trek waaraan de buis hing. Al deze keuzes maakten me extra bewust van hoe sterk theatercodes mijn verwachting sturen – en hoe verfrissend het kan zijn als die codes worden opgerekt.
Juist daarom voelt A Possibility voor mij ook als een uitnodiging aan creatieve lichttechnici en andere makers. De voorstelling laat zien hoeveel er mogelijk is als je licht niet alleen als ‘verlichting’ gebruikt, maar als volwaardig materiaal om mee te componeren: om diepte te suggereren, ruimtes optisch te verschuiven, de verhouding tussen zaal en podium te kantelen en zelfs de begin- en eindcodes van een voorstelling te vervagen. Ik denk dat dit een vorm van oefenen is die eigenlijk iedereen die met licht in theater werkt zou moeten doen: spelen met extreme traagheid, met verschillende lichtbronnen in publiek en op podium, met het zichtbaar maken van normaal verborgen onderdelen van de ruimte. Pas door dat soort experimenten ontdek je echt welke mogelijkheden er in het theater besloten liggen.
Na afloop had ik het gevoel dat ik iets had meegemaakt dat ik niet meteen wilde herhalen. Niet alleen omdat het -vooral de tweede acte- intens en vermoeiend was, maar omdat het zo’n unieke ervaring is en het vrij associëren niet meer lukt als je het recent al hebt gezien. Over een paar jaar zou ik A Possibility wel graag nog eens zien om te ervaren hoe het dan waarschijnlijk anders voelt en andere associaties oproept, simpelweg omdat ík dan iemand anders ben. Dat idee sluit aan bij hoe Kruip zelf beschrijft dat ze de eerdere versie in 2016 heel anders ervoer dan nu, zoals Bart van den Eynde in de inleiding vertelde. Voor mijn eigen maakpraktijk neem ik vooral het spel met licht en geluid mee: hoe je met minimale middelen ruimte- en geluidswaarnemingen kunt manipuleren, en het publiek kunt uitnodigen om zelf te gaan associëren. A Possibility laat voor mij zien dat theater niet alleen een plek is om een verhaal te volgen, maar ook een ruimte waarin je samen in stilte kunt denken, kijken en luisteren.