Dramatisch Oratorium
In 1933 voerden enkele studenten van de Sorbonne Middeleeuwse spelen op te Parijs. In 1934 behoorde Mevrouw Ida Rubenstein, de uitzonderlijke dramatische artieste en danseres, tot de toeschouwers ervan; zij vatte dadelijk vuur en vlam voor het denkbeeld het eeuwenoude mysteriespel te doen herleven in een groots werk, op te voeren door geheel Frankrijk, zoals het weleer gebeurde door de reizende toneelbroederschappen. Zij wendde zich tot Honegger; samen besloten ze dat er een Jeanne d’Arc zou ontstaan. Verschillende dichters werd om medewerking verzocht, doch dezen bleven onverschillig tegenover het plan.
Ook Claudel, toen Ambassadeur van Frankrijk te Brussel, weigerde aanvankelijk. De geschiedenis van Jeanne d’Arc leek hen te heilig, haar leven te klaar en te zuiver en moest liever onaangeroerd blijven. ‘On ne peut pas dorel’or, ni colorer les lys’, meende de dichter.
Weldra werd hij geobsedeerd door het visioen van een gebaar: dat van twee handen, gevouwen en geboeid, handen van een gefolterde, een martelares, een heilige. Jeanne d’Arc verscheen hem in de opperste stonde, waarin zij die sterven gaan, in hun gedachtenis hun te kort leven overschouwen. In enkele weken tijds schreef Claudel zijn Jeanne d’Arc au Bûcher te Brussel. 30 augustus 1935: Honegger voltooide de partituur.
Het werk werd uitgevoerd te Basel, te Orléans en te Parijs. De opvoering te Brussel had plaats in 1940 door Lodewijk de Vocht en het Caeciliakoor, met Ida Rubenstein als Jeanne en Jean Hervé als Frère Dominique.
data
vr 21 juni 1957 02:00
informatie
-
Duur voorstelling niet bekend