Ga naar de hoofdcontent
Spem in Alium: Fysieke lichamen, sacrale ruimte

Spem in Alium: Fysieke lichamen, sacrale ruimte

Interview met Saburo Teshigawara and Lionel Meunier, door Lieve Dierckx.

Spem in Alium is geïnitieerd door de Philharmonie de Paris, die dirigent Lionel Meunier en choreograaf Saburo Teshigawara samenbracht voor deze eerste samenwerking. De productie was nog in ontwikkeling op het moment dat dit gesprek plaatsvond, in aanloop naar de wereldpremière. Na uitvoeringen in Europa beleeft het werk nu zijn Nederlandse première op het Holland Festival.

Lionel Meunier is bezeten door klankkleur en stemplaatsing. Als geen ander weet hij de juiste stem voor de juiste partituur te vinden. Saburo Teshigawara imponeert al decennialang met abstracte choreografieën waarin dansers een bijzondere relatie aangaan met de muziek en de ruimte. In Spem in Alium werken de twee voor het eerst samen rond vijf composities uit het Engelse sacrale koorrepertoire. Centraal staat het magistraal polyfone ‘Spem in Alium’ van Thomas Tallis uit de 16de eeuw. Vox Luminis breidt voor de gelegenheid uit tot een XL-koor van 40 stemmen. Saburo Teshigawara, 72 intussen, regisseert, choreografeert, ontwerpt het lichtplan en de kostuums én staat samen met drie andere dansers mee op het podium.
 
Hoe makkelijk was het voor jullie om toe te zeggen voor deze samenwerking?
LM: Toen Philharmonie de Paris me aansprak over dit project met Saburo, was ik meteen mee want ik laat me graag leiden door nieuwsgierigheid. Natuurlijk blijft de B-Minor Mis van Bach uitdagen en ontroeren, elke keer opnieuw. Maar de structuur is vertrouwd, de weg bekend. In deze samenwerking met Saburo heb ik veel minder vat op het verloop. Veertig zangers, vier dansers, een choreograaf die vanuit het lichaam denkt – het dwingt me om bij de les te blijven.
 
ST: Voor mij is het erg spannend om op een fysieke manier, via de lichamen van de dansers en de koorleden, met hun stemmen, de lange geschiedenis en de diepgang van deze muziek te delen met het publiek. Toen ik in 2011 met de Philharmonie van Parijs werkte rond Bach en Bartok had ik al aangegeven dat ik graag met zuiver vocale muziek zou werken. De enige moeilijkheid met ‘Spem in Alium’ was dat de muziekkeuze al vastlag. Maar ik maak me leeg, ik stel me open. Het contact met Lionel geeft me vertrouwen.
 
In welke zin was het moeilijk dat de muziekkeuze al gemaakt was?
ST: Deze muziek is niet eenvoudig. Als ik voor mezelf beslis kan ik om het even wat bedenken, of dingen gewoon opzijschuiven. Maar nu was het werk al gedaan, de muziek is er - ook al ken ik de partituur niet, kan ik de noten niet lezen of weet ik weinig van de geschiedenis: er is haar realiteit over tijds- en cultuurverschillen heen. In die zin staat ze voor een ontmoeting met een bijzondere kracht. Maar ‘moeilijk’ is een uitdaging, een kans om te proberen, om iets te veranderen - zoals Lionel aangeeft: het maakt nieuwsgierig. Samengevat:  voor mij is er weinig verschil tussen vreugde en moeilijkheid. Ik hou gewoon van het woord ‘moeilijk’ (lacht).
 
LM: Wat natuurlijk meespeelt is dat ‘Spem in Alium’, het motet van Thomas Tallis waarrond de avond is opgebouwd, een van de meest iconische vocale werken uit de muziekgeschiedenis is: veertig stemmen, elk met hun eigen partituur. Het begint met een polyfonie van vijf stemmen, bouwt op naar veertig, om terug te keren naar vijf stemmen.  Interessant is dat wetenschappelijke studies uitwezen dat het menselijk brein geen 40 verschillende zanglijnen kan verwerken. Blijkbaar kan je er maar 30, maximaal 32 onderscheiden en bovendien is welke je hoort voor iedereen verschillend. Dat is ook wat me ook zo benieuwd maakt: wat gaat Saburo hiermee doen?
 
Wat roept de titel, ‘Spem in Alium’ / ‘Hoop op een Andere’ bij jullie op?
LM: Ik blijf haken aan dat eerste woord: Spem/Hoop. Voor mij is er een persoonlijk verhaal aan verbonden dat Saburo nog niet kent. Toen ik ‘Spem in Alium’ voor het eerst zong in 2002 in de kathedraal van Minneapolis met het koor rondom een publiek van 3000 mensen, was ik zo overweldigd dat ik achteraf een hele tijd geen woord kon uitbrengen. Daar en dan was voor mij duidelijk dat ik van zingen mijn beroep zou maken. Net omdat het werk voor mij zo’n levensveranderende betekenis heeft, wilde ik dat het centraal zou staan in dit project. [...]
 
ST: Lionel legde me uit dat Spem in de tekst verbonden is met God - dat alleen al vind ik interessant.  In Japan is er niet één god, maar zijn er vele natuurgoden, en is hogere kracht aanwezig in mensen en materie. Dat verschil wil ik niet onder de mat vegen. Daarnaast bleef de laatste regel van het motet me bij: ’Wees U bewust van onze nederigheid’. Die woorden brachten me bij machteloosheid, dwaze menselijke machteloosheid. Hoe verschillen we daarin van dieren, van robots, van objecten? Dat wil ik als uitgangspunt nemen voor de dans. Vaak beangstigen de donkere kanten van mensen me. Zelf probeer ik een goed mens te zijn - wat vaak lastig is. Maar uiteindelijk gaat het niet om goed of kwaad, wat telt is zonder oordeel te kunnen zien: jij bent jij, en soms wil ik jou zijn, of mezelf, en soms een sjamaan. ‘Spem in Alium’ is muziek die de kracht en schoonheid heeft om dat soort grote vragen aan af te meten, als een reis langs wat het betekent om mens te zijn. Dat is mijn insteek in het project, via de muziek daartoe te komen.
 
Hoe belangrijk is het sacrale van deze muziek voor jullie?
LM: Voor mij is het onvermijdelijk om dat mee te nemen. Als we met Vox Luminis deze renaissancemuziek zingen merken we dat we ons telkens heel verbonden voelen. Of het aan de tekst ligt of aan het spirituele, daar zijn we niet over uit. Voor mij maakt net het mysterie de schoonheid uit van deze muziek. Natuurlijk hoef je niet religieus te zijn, maar als je niet opgaat in wat je zingt, gaat er iets verloren. Soms gaat het erom de zangers er tussen alle technische aspecten van de uitvoering aan te herinneren waar de muziek voor staat. Want die specifieke aandacht voegt iets toe aan de stemkleur. Als we in een kerk of kathedraal repeteren laat ik de deur altijd openstaan zodat voorbijgangers kunnen komen luisteren.  Als ik dan achteraf naar hun ervaring vraag, zeggen ze: ik zet me neer, sluit mijn ogen, ik bid, ik denk aan mensen die belangrijk voor me zijn.
 
ST: Het sacrale in deze muziekteksten gaat voor mij het menselijke te boven.  Maar voor het ons te boven gaat is het evengoed een fysieke realiteit. Het lichaam is voor mij geen onafhankelijk object in zijn omgeving. Het lichaam ademt, transpireert, staat in relatie tot lucht en ruimte. Zonder natuur die ons van bovenaf gegeven is kunnen we niet leven. De natuur is deel van ons lichaam, het lichaam zelf is ruimte en in die zin een heiligdom, zonder dat het benoemd hoeft te worden - dat is het soort sacraliteit waarrond ik denk. Voor mij gaat het niet om verhalen. Ik heb geen behoefte aan een gedeelde spirituele ruimte. Bidden doe ik zonder woorden, het gevoel van verbinding volstaat.
 
Hoe werken jullie concreet rond die verbinding op scène?
ST: Voor mij als danser en choreograaf begint alles bij het fysieke zijn. Er is de zwaartekracht, de aarde, en het gewicht van je lichaam.  Zonder vloer blijf je voor altijd vallen.  We kunnen niet vliegen maar wel springen en landen.  We kunnen onszelf leren vallen en zo de ruimte tussen boven en beneden op een andere manier ervaren. De goden bepalen misschien ons lot en ons leven maar tegelijk is het leven een dans. Mensen stoppen nooit met bewegen: omdat we rechtop lopen maken we voortdurend micro-bewegingen om in balans te blijven. In dans gaat het vaak om technieken aanleren om die disbalans te controleren en te sturen: Mijn idee is dat je natuurlijke timing verloren gaat als je het dansgeheugen te veel programmeert.  Mijn methode bestaat erin om via bewuste ademhaling terug te keren naar een natuurlijke, open staat, en vandaar af te beginnen, niet zozeer met improvisatie maar met wat ik liever een ‘spontane reorganisatie’ van het lichaam noem.  Leegmaken, openstellen en versmelten, is hoe we ons proberen te verhouden tot de muziek.
 
LM: De aanwezigheid van de dansers zal in het koor iets met de stemkleur doen. Hetzelfde geldt voor het publiek. Dat is een natuurlijk gegeven: als je een verbinding voelt brengt dat een kleine verandering in de stem teweeg. Die kunnen we niet capteren met een computerprogramma of vatten in taal, maar mensen voelen dat wel aan. Dat is de magie. In die zin zal er ook in de zangers iets gebeuren als wat Saburo omschrijft als ‘spontane reorganisatie’.
 
ST: Het lichaam herschikt zichzelf voortdurend, in relatie tot klank, nabijheid en ruimte. Soms doen we niets. Dat nietsdoen is essentieel. Als bij regen die stopt maar het lichaam nat laat. Van daaruit kan iets ontstaan.
 
De vijf werken op het programma van ‘Spem in Alium’ brengen langzame zanglijnen, geschreven voor grote ceremoniële ruimtes. Hoe kijken jullie daarnaar voor dit project?
LM: We hebben met Vox Luminus één keer met dansers samengewerkt in een opera van Charpentier waarbij wij zangers meedansten, of tenminste een poging ondernamen (lacht). In een opera zijn acteren en dansen deel van de opzet, maar sacrale muziek is een andere categorie. Daar ben ik veel voorzichtiger mee. Renaissancepolyfonie draagt een ritueel in zich. Mensen voelen dat onmiddellijk, ook als ze de woorden niet begrijpen. Er ontstaat een gedeelde aandacht die moeilijk te benoemen is. Er is één ding dat ik erg waardeer in sacrale muziek, en dat is ruimtelijkheid. Ik weet dat ook Saburo daarrond werkt, waardoor het interessant wordt. Het langzame van deze renaissancemuziek zie ik tegelijk als een uitgelezen kans om ons met het publiek anderhalf uur lang op een andere manier te verhouden tot de snelheid die we onszelf buiten de concertzaal al te vaak opleggen.
 
ST: Ritme is niet essentieel voor dans. Omdat de muziek in Spem in Alium zo weinig ritmisch is biedt ze een unieke kans om ademritmes en -cycli te delen. Adem is een basisgegeven of je nu een danser, zanger, of toeschouwer bent. Vanuit het standpunt van de danser kan je de adem aanvoelen van het koor. Ademen is voor de dansers ook een manier om hun eigen muzikaliteit te delen met de zangers. Door hun adem bewust naar verschillende lichaamsdelen te sturen en in vormen om te zetten - spiraal, kromming, etc - kunnen ze contrapunten creëren in relatie tot deze muziek.
 
LM: Het is fascinerend hoe dicht dans en muziek bij elkaar liggen: allebei gebruiken we het lichaam en de adem als instrument. De menselijke stem vind ik zo bijzonder, het mysterie van die twee kleine, trillende membranen van amper 2 cm in onze keel. In de renaissancemuziek van ‘Spem in Alium’ zingen we lange lijnen dus moeten we ons veel meer bewust zijn van hoe je ademt om zo’n lijn lang genoeg te kunnen aanhouden, zonder op het verkeerde punt opnieuw in te ademen.
 
Hoe zou je de zangers werken, Saburo, moest je hen in je KARAS-studio in Tokyo een workshop kunnen geven?
ST: Sowieso heb ik het plan om in Brugge in de week voor de voorstelling wanneer het voltallige koor aanwezig is, een kleine workshop te houden. Ik wil de zangers graag laten stilstaan voor ze in beweging komen. Hen via de voetzolen bewust de zwaartekracht laten voelen of met de dansers tonen hoe we via onze handpalmen de ruimte inademen en hoe dat gevoel doorzet naar de wervelkolom, als een levende structuur met bouten en vloeistof die je kan oprekken en ontspannen. Hoe dat de oren van ons bewustzijn openzet. Ik wil graag dat ‘echte’ gevoel delen, weg van voorgeschreven beweging. Voor mij is dat onhoorbare muziek. Daarom zijn voor ons dansers de stemmen van de zangers fantastisch: je kan hun voortgang zien, hun reacties - je kan zien door te luisteren, en luisteren door naar hen te kijken.  Harmonie vinden tussen de adem van de dansers en de adem van de stemmen lijkt me een prachtige les die we zouden kunnen delen in een workshop.
 
Hoe cruciaal is de opstelling van het koor eigenlijk voor een optimale luisterbeleving? Hoe overleggen jullie daarover?
LM: Voor mij is essentieel dat we elkaar goed genoeg kunnen horen om optimaal te presteren als koor. Daarnaast weet Saburo al dat als de componist aanwijzingen geeft in de partituur, ik die graag wil volgen. Van ‘Spem in Alium’ is bekend dat Thomas Tallis de muziek bedoelde voor vijf keer acht zangers. De meest gebruikelijke opstelling is een achthoek - en dat is waar we voor gaan. In ‘Funeral Sentences’ geeft Thomas Morley als aanwijzing dat het eerste deel moet klinken als een processie. Dus wil ik graag in processie wandelen, waarbij Saburo ervoor moet zorgen dat we niet marcheren als in een militaire parade (lacht). Voor het tweede en derde deel van ‘Funeral Sentences’ wil Morley dat het koor rond een kist staat, en ook dat behouden we. De andere componisten geven geen aanwijzingen. Voor we naar Brugge komen zullen we met het koor al heel diep ingegaan zijn op de muzikale interpretatie. Hier hoeven we alleen maar te weten: wat heb je voor ons in petto, Saburo? Opnieuw, ik ben heel erg benieuwd.
 
ST: Ik heb een aantal mogelijke opstellingen van het koor klaar op papier: lijnen, cirkels en vierkanten in verschillende constellaties en verhoudingen. Dat houdt me nog wel even bezig. En we blijven in overleg.
 
Interview door Lieve Dierckx, op 20 december 2025.