Leoš Janáček was een ijverig verzamelaar van Slavische volksmuziek, waaruit hij ook voor zijn eigen werk putte. Zijn opera Jenufa, die hij in het begin van deze eeuw schreeuw en die voor het eerst in 1916 te Brno werd opgevoerd, was een van de eerste opera’s op prozatekst, een experiment dat ten doel had het gezongen woord nauwer bij het gesproken woord te doen aansluit en het grotere beweeglijkheid te geven, zonder aan het melodieuze karakter van zang en muziek afbreuk te doen.
In de tijd dat Jenufa ontstond, beluisterde Janéček nauwlettend de gesprekken van de mensen die hij ontmoette. Hij bestudeerde hun gezichten, hun gebaren, en zag dat er een verband bestond tussen dat alles en de stemmingen, de gevoelens en de gemoedsbewegingen van de mens. Door zijn taal geeft de mens uiting aan wat hem innerlijk bezighoudt. Maar van belang is niet alleen de letterlijke betekenis van de woorden die hij spreekt, doch ook de toon, het tempo en de klank van zijn stem. Van deze melodie van het gesproken woord uitgaande heeft Janáček zijn opera geschreven.
Voor de tekst van Jenufa maakte Janéček gebruik van het gelijknamige toneelstuk van Gabriele Preiss, dat hij sterk bekortte. Het drama speelt in een bergdorp in Moravië. Het is een volksstuk een spel van liefde, afgunst, moord, boete en verzoening.
data
vr 15 juni 1951
za 16 juni 1951
zo 17 juni 1951
ma 18 juni 1951
di 19 juni 1951
wo 20 juni 1951
do 21 juni 1951
vr 22 juni 1951
za 23 juni 1951
zo 24 juni 1951
ma 25 juni 1951
di 26 juni 1951
wo 27 juni 1951
do 28 juni 1951
vr 29 juni 1951
za 30 juni 1951
zo 1 juli 1951
ma 2 juli 1951
di 3 juli 1951
wo 4 juli 1951
do 5 juli 1951
vr 6 juli 1951
za 7 juli 1951
zo 8 juli 1951
ma 9 juli 1951
di 10 juli 1951
wo 11 juli 1951
do 12 juli 1951
vr 13 juli 1951